Aanvulling GOL uitspraak additionaliteitsvereiste (art. 6, tweede lid Hrl) tracébesluit A27/A12 Ring

 

Na een eerste vernietiging van het tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht vanwege de PAS, volgde een aangepast tracébesluit en daarna nog één (6:19 Awb) vanwege de ViA15 uitspraak. De onderzoekresultaten die moeten uitgaan van een rekenafstand van 25 km in de plaats van 5 km zijn neergelegd in een nieuwe passende beoordeling. In deze passende beoordeling zijn nieuwe mitigerende maatregelen betrokken en is de omvang van de compenserende maatregelen opnieuw bepaald. 

In de GOL-uitspraak heeft de Afdeling de toepassing van externe saldering (en daarmee het addionaliteitsvereise) geaccordeerd (zie AbRvS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625).

Het punt is dat in deze zaak niet alleen een beroep wordt gedaan op art. 6, eerste lid Hrl, maar ook op art. 6, tweede lid. De Afdeling geeft om die reden in deze uitspraak een nadere toelichting.

Heel kort: artikel 6, eerste lid Hrl  verplicht tot het daadwerkelijk treffen van instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn voor het behoud of het herstel van de gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitattypen. Het zijn (positieve) maatregelen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de instandhoudingsdoelen.

Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen te voorkomen.  Volgens het Hof beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of significante verstoring plaatsvindt.

De Afdeling oordeelt dat de minister bij de vaststelling van het tracébesluit moet motiveren op welke wijze het invulling geeft aan de beoordelingsruimte die het heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. De Afdeling verwijst hiervoor naar de Logtsebaan-uitspraak (uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71).

In dit geval ziet de nadere motivering alleen op de toetsing aan het additionaliteitsvereiste in relatie tot artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Dat is dus onvoldoende. Verder is de nadere motivering in grote lijnen afdoende, echter, er is onvoldoende rekening gehouden met de staat van instandhouding van een aantal habitattypen.  

Ook na externe saldering zijn negatieve effecten niet zijn uit te sluiten voor een aantal habitattypen.  Omdat hiervoor geen verdere mitigerende maatregelen voorhanden zijn, is voor deze habitattypen toepassing gegeven aan de zogenoemde ADC-toets. “Alternatieven” en “Dwingende redenen van groot openbaar belang” worden geaccordeerd, hetgeen deze uitspraak al lezenswaardig maakt.

In het Compensatieplan is echter niet ingegaan op de invloed van stikstofdepositie op de ontwikkeling van een aantal habitattypen.  De minister heeft er weliswaar op gewezen dat de enkele omstandigheid dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden, nog niet betekent dat compensatie niet mogelijk is. Maar in dit geval is gemotiveerd dat stikstofdepositie een knelpunt is voor de ontwikkeling van de betreffende habitattypesop de gekozen compensatielocaties

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de minister de effectiviteit van de compenserende maatregelen voor de oude eikenbossen en zandverstuivingen en stuifzandheiden met struikhei  (nog) niet deugdelijk heeft onderbouwd. Tussenuitspraak AbRvS 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1971

 

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan