Eén-en-hetzelfde project en overgangsperiode 18 december uitspraak

Het gaat in deze hoger beroepsprocedure om een handhavingsverzoek omdat dieren zonder natuurvergunning worden gehouden op een locatie waar een veehouderij heeft gezeten en waar opnieuw een veehouderij is begonnen met melkkoeien en jongvee.

 

 

 

Aan de rechtsvoorganger van appellante is in 1994 een milieuvergunning is verleend, vóórdat artikel 6, derde lid Hrl van toepassing werd voor de betreffende Natura 2000-gebieden. De natuurvergunningplicht komt daarom pas in beeld als geen sprake is van de voortzetting van één-en-hetzelfde project.

De Afdeling verwijst naar HvJ van de Europese Unie die in punt 86 van het arrest van 7 november 2018 (PAS), ECLI:EU:C:2018:882 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project, ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd.’

De Afdeling oordeelt, mét de rechtbank dat er geen continuïteit is tussen de oude veehouderij en de nieuwe. Zo zijn tussen 2006 en 2021 structureel andere soorten dieren gehouden en zijn ook andere soorten activiteiten verricht dan die in 1994 zijn vergund. Bovendien is de stal zelf feitelijk aangepast.

Appellant heeft in 2021 een melding ingediend en is in juli 2022 feitelijk begonnen met het project.

De 18 december 2024-uitspraak (over intern salderen) voorziet onder 24.4 voor initiatiefnemers van activiteiten die fysiek zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 én waarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was, in een overgangsperiode tot 1 januari 2030 waarin het bevoegd gezag niet handhavend kan optreden.

Het moment van de fysieke start staat vast.

Verder, er kan een referentiesituatie worden ontleend aan de milieuvergunning uit 1994, ook al is deze van rechtswege vervallen doordat de veehouderij onder het Activiteitenbesluit is gaan vallen. De toestemming uit de vergunning is namelijk van rechtswege opgegaan in de algemene regels van het Activiteitenbesluit.

De milieuvereniging voert weliswaar terecht aan dat de milieutoestemming had moeten worden verkleind omdat er een meldingsplicht was voor het plaatsen van de nieuwe paardenboxen, maar dat acht de Afdeling bij een beoordeling op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen niet relevant. Bij die beoordeling kon alleen wat vergund of toegestaan was een rol spelen, en niet wijzigingen die hadden moeten worden gemeld, maar die niet zijn gemeld.

De activiteiten vallen daarom onder de overgangsperiode uit de 18 december-uitspraak en vooralsnog kan er niet handhavend opgetreden worden.

AbRvS 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2901en Rb Oost-­Brabant 26 mei 2023, nr. 22/2003