Het beheer van dieren op Groningen Airport Eelde
In twee, met elkaar samenhangende uitspraken heeft de Afdeling uitspraak gedaan over een door het college van GS van Drenthe verleende ontheffing op grond van de Wnb voor het beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid op Groningen Airport Eelde (GAE). Tegen deze ontheffing is opgekomen door Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights. Het gaat feitelijk om dezelfde ontheffing, die procedureel uit elkaar is gaan lopen vanwege het nemen van een tweede beslissing op bezwaar.
In de uitspraken is een zeer leesbare samenvatting opgenomen, die in deze flits, deels wordt opgenomen. De Afdeling geeft in de uitspraken een oordeel over de wijze waarop en met welke onderbouwing het college een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein van GAE. In het hoger beroep ligt onder meer de vraag voor op grond van welke wettelijke bepaling het college aan GAE een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein. Naar het oordeel van de Afdeling is het mogelijk om aan luchthaven GAE een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb. De noodzaak van de werkzaamheden waarvoor ontheffing wordt verleend, ligt niet zozeer in het duurzaam beheer van populaties, maar in het voorkomen van aanvaringen tussen vliegtuigen en dieren. Hiervoor is specifiek getraind personeel aanwezig op de luchthaven.
Verder oordeelt de Afdeling dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat bepaalde vogels op grond van de landelijke vrijstelling mogen worden gedood. Deze vogelsoorten zijn niet met het oog op de vliegveiligheid op de landelijke vrijstelling geplaatst. Ook betoogt de Faunabescherming terecht dat het college een onjuiste maatstaf heeft toegepast om te bepalen of aan artikel 3.3, vierde lid, onder c van de Wnb wordt voldaan. De Afdeling is van oordeel dat het college niet alleen moet beoordelen of het aantal vogels dat door de ontheffing wordt gedood boven de 1%-mortaliteitsnorm van de landelijke populatie komt. Van belang is of de som van deze invloeden, dus ook andere activiteiten die leiden tot de dood van die populatie, niet boven de 1%-mortaliteitsnorm komt. AbRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5865 en 5862
Voor meer informatie over deze uitspraken kunt u contact opnemen met Susan