Op grond van artikel 5.4, eerste lid aanhef en onder c, Wnb kan een natuurvergunning worden ingetrokken als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend.
Een natuurvergunning wordt op grond van artikel 5.4, tweede lid, Wnb in elk geval ingetrokken indien dat nodig is ter uitvoering van de Hrl.
In overwegingen 6.1 tot en met 7.3 van de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, in combinatie met overwegingen 10 tot en met 10.7 van haar uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, is nader beschreven wat de verhouding is tussen het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb en welke afweging het college moet maken wanneer om intrekking van een natuurvergunning is verzocht. Het in die uitspraken beschreven beoordelingskader is ook in de twee uitspraken van de Afdeling van deze week van toepassing.
Het gaat in deze zaken (waarbij het gaat om PAS vergunningen) inhoudelijk eigenlijk alleen over de vraag of hydrologische herstelmaatregelen kunnen worden betrokken bij de vraag of sprake is van een noodzakelijke daling van stikstofdepositie waardoor het intrekken van de natuurvergunning niet nodig is.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in gevallen waarin een daling van stikstofdepositie ter voorkoming van verslechtering van natuurwaarden nodig is, maatregelen die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie niet kunnen worden betrokken bij de vraag of intrekking van een natuurvergunning, die alleen ziet op activiteiten met stikstofdepositie, nodig is als passende maatregel.
Maar dit betekent niet dat aan herstelmaatregelen in zijn geheel geen waarde kan toekomen. Zoals staat in overweging 10.7 van de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, moet het college onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar zijn oordeel noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd. Ten behoeve van het ecologisch in kaart brengen van de staat van de natuurwaarden en het bepalen welke daling het college noodzakelijk acht, kunnen de effecten van herstelmaatregelen een rol spelen. Echter, na het onderbouwen welke daling van stikstofdepositie noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd, kan alleen verwezen kan worden naar (te treffen) passende maatregelen die zien op een reductie van stikstofdepositie.
Dan nog een geheel andere vraag: welke beslistermijn geldt voor een verzoek om intrekking van een Wnb-vergunning? Wanneer de reguliere voorbereidingsprocedure is gehanteerd bedraagt deze 13 weken (art 5.1, eerste lid Wnb). Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met zeven weken (artikel 5.1 Wnb), aldus de Afdeling.
Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit het zogenoemde "actus-contrariusbeginsel" volgt dat, indien de wet zwijgt over de toepasselijkheid van een voor het oorspronkelijk besluit geldende procedure op wijzigings- en intrekkingsbesluiten, de procedurevoorschriften die gelden voor het oorspronkelijke besluit ook gelden voor het wijzigings- of intrekkingsbesluit. De wet zwijgt hierover..
AbRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:363 en
ECLI:NL:RVS:2026:362
Voor meer informatie over deze uitspraken kunt u contact opnemen met Susan